In Limbo Je knippert met je ogen, even is er geen beeld, het contact met de buitenwereld stokt, meestal nauwelijks merkbaar. De schilderijen van Frans van Tartwijk verwijzen juist naar die onzichtbare wereld van knipperbeelden, die in limbo

blijven hangen tussen ogen sluiten en openen. De schilder is een zoekende in de wirwar van ongrijpbare knipperflitsmomenten; weg in een onmeetbare fractie van een seconde voor ze kunnen beklijven in het echte leven. Hij tart het geheim van een blinde vlek en vangt het beeld dat zich schuil houdt voor het verschijnt of schimmig bovendrijft ­ net voor het verdwijnt.

  Van Tartwijk zoekt een still  als houvast; een vader die over het graf heen kijkt, alles en niets ziet, of een man die evenwicht verliest, de strijd verliest met zwaartekracht, en zich tegen rotsen vleit als een onhandige minnaar, die dronken de dode natuur berijdt. Of een kind dat zich feestvarken ­ Baas van de Dag ­ weet,en huivert voor deze voorbode van het echte leven, dat onontkoombaar triest en onhanteeraar blijft. En een vrouw die aarzelt voor het aannemen van een pose, voor kiezen tussen binnen- en buitenwereld, voor een avontuur dat wacht achter het gordijn van een paskamer,

of is het toch de angst voor de sleur van alledag buiten de paskamer, die haar pas-op-de-plaats en op haar hoede, met ogen in haar rug, doet verstijven?

   In elk van deze schilderijen wordt een al te kwetsbaar moment, een schil te dicht tegen tegen de geharnaste kern van de ziel, zichtbaar, een plak waar zintuigen even niet 100 % alert, maar stuurloos zijn. Hier in een onbeschermd tussengebied, waar droombeelden vrij spel hebben, heerst het dierlijke oer-zijn. Zonder rationele codes, komen de later nauwelijks traceerbare of geregistreerde signalen uit een toegedekte binnenwereld, die de scherpe contouren van het daglicht niet willen overleven, als rafelige na-beelden tevoorschijn op het doek van de schilder. Niet als personen, maar als eenzame personages in een abrupt afgebroken verhaal, komen de mensen uit zijn verleden ­ soms lang soms pas geleden ­bovendrijven met fletse gezichten verdwaald

te midden van verregende aanwijzingen. Perplex en hulpeloos presenteren de personages zich aan de kijker met een onbeholpen beroep op de voorzienigheid buiten de kaders van het schilderij, waarin hun scene doelloos gestrand is tussen tussen de regels van een duistere sprookjeswereld en de beeldruis van het dagelijks leven in.

   Opvallend is de onhandige houding, alsof het lichaam niet vertrouwd en de houding een niet geoefende pose is, aangenomen slechts als laatste redmiddel tegen een onduidbare, onbekende omgeving. Dolende zielen zijn het, terug van weggeweest, in een vervreemdend decor. Soms is er zelfs meer decor dan personage, maar een oog ­ soms twee ­ is altijd waakzaam aanwezig tussen de coulissen of verstopt zich in de requisieten. Zelfs het landschap aan zee is een op het nippertje geredde blinde vlek op het netvlies voor het oog wegknippert, de wimpers buigend als bomen in de stormwind.

Ongemakkelijk geschilderd nemen de personages van van Tartwijk aftastend bezit van verf en linnen, moeizaam maar vasthoudend doen ze hun intrede in de blik van de toeschouwer, die innerlijke beelden vol weemoed voorgeschoteld krijgt. Hij ­ schilder en toeschouwer ­ beseft immers dat deze still-levens zien wat je anders ­ voor je het weet ­ mist: het bitterzoet verwijlen ­ tussen hoop en vrees ­ in limbo.

Marie-Jeanne de Rooij